De belangrijkste gebeurtenis van 1966

bad1

Om de een of andere reden keek ik op YouTube naar een aflevering van een show van Mies Bouwman (Mies en scène) waarin Godfried Bomans te gast was. Altijd leuk Godfried Bomans. Toen en nu. Het was een aflevering uit 1966. Laten we even ons geheugen opfrissen met betrekking tot dat jaar.

  • Het was het jaar waarin prinses Beatrix en Claus in het huwelijk traden (rellen op de Dam);
  • Het was het jaar waarin de nacht van Schmeltzer plaats vond (exit kabinet Cals);
  • Het was het jaar waarin D66 het levenslicht zag (dank Hans van Mierlo);
  • Het was het jaar waarin John Lennon zijn visie op de kerk gaf (de kerk is op sterven na dood: de Beatles zijn bekender dan Jezus);
  • Het was het jaar waarin Mao Zedong de Culturele Revolutie uitriep (pech voor minstens veertig miljoen chinezen);
  • Het was het jaar waarin Soeharto aan de macht kwam (weg met de communisten);
  • Het was het jaar waarin Johan Cruijf zijn opwachting maakte in het Nederlands Voetbalelftal (hup nr. 14);
  • Het was het jaar waarin Indira Gandhi werd gekozen tot premier van India (leve de vrouwenemancipatie!);
  • Het was het jaar waarin er een witte walvis bij ons in de Rijn zwom (Weet u zeker dat u een walvis zag? Wilt u even blazen?)

“Wat is volgens jou de belangrijkste gebeurtenis van het afgelopen jaar?”, vraagt Mies aan Godfried op 30 december 1966. Hij hoeft er geen seconde over na te denken. Dat is de intocht van Sinterklaas in Harlingen. Sinterklaas vaart de haven van Harlingen binnen en ineens gooit hij met een weids gebaar de zak in de golven. “Dat is een kerkelijk gebaar dat ik zeer toejuich”, zegt Godfried. “Daarmee heeft Sinterklaas aangetoond: wij zijn de periode van straffen, van sancties, van dreigen, van hel en verdoemenis voorbij. Ik ben nu lief.”

In het licht van de gebeurtenissen die dat jaar allemaal hebben plaatsgevonden is het een opmerkelijke keuze. Mies moet erom lachen. Maar Godfried licht zijn keuze toe. Hij ervaart een omslag in zijn tijd en hij schrijft deze omslag toe aan een omslag in het kerkelijk denken. “Sinterklaas is de thermometer van het klimaat in de religieuze dampkring”, zegt hij. “Als Sinterklaas zijn zak weggooit, dan betekent dat iets. Dat had hij tien jaar geleden niet kunnen doen, dan was hij opgepakt. Maar nu kan dat. De hele kerk heeft zijn zak weggegooid. De tijd van vasten, van sancties en van dreigementen is voorbij. De angst is uit de wereld.” En dit vrijgevochten nieuwe elan in de kerk ziet Godfried samengebald in dat ene gebaar van Sinterklaas: de zak die in de golven wordt gegooid.

Ik heb een aantal keren naar dit interview gekeken. In de eerste plaats uit nostalgische overwegingen. Dit waren toch wel de betere jaren. Geen noodzaak voor angst, wat een positieve tijd. Maar ook omdat ik Godfrieds keuze zo bijzonder vind. Hij was een man die zich gewaar was van een omslag in zijn tijd. Maar of die omslag voortkwam uit een omslag in het denken van de Katholieke kerk, vraag ik me af. Dat lijkt me eigenlijk een badgedachte. Het zal meer de omslag van het denken in de maatschappij geweest zijn die hij weerspiegeld zag in het handelen van Sinterklaas.

Tegenwoordig leven we weer in een angstcultuur. Angst voor al die vluchtelingen. Angst voor de Islam. Angst voor een tanende economie. Men wantrouwt elkaar. En ook Sinterklaas wordt anno 2016 gewantrouwd. Vandaag de dag wordt het Sinterklaasfeest beschouwd als een teken van rascisme. In de ban ermee. Het kan verkeren.

 

EEN VRIENDELIJK GEZICHT

Valt het jou ook op hoeveel mensen boos kijken? Vandaag liep ik in park Frankendael aan de Middenweg in Amsterdam. En opeens stond ik oog in oog met een fijnbesnaard en vriendelijk gezicht. Zo bijzonder. Een gezicht met rust in de ogen en zachtmoedige trekken. Een gezicht van iemand die je tegemoet treedt met warmte en een lach. Van iemand die zegt: Hallo, hoe is het met je? Ik voelde een enorme sympathie. Zulke ontmoetingen zijn zeldzaam en daarom deel ik dit graag.

image

KUNST IS EMOTIE

Verbazing is een van de meest elementaire emoties in de kunst.
Verbazing over de schoonheid van een werk.
Verbazing over de originaliteit van een werk. Hoe heeft de kunstenaar dit zo kunnen verzinnen?
Verbazing over de perfectie van een werk. Hoe krijg je het zo prachtig gemaakt?
Maar ook: verbazing over wat je als kunst presenteert. Is dit nou kunst?
Eind vorig jaar waren we in het Cobra Museum bij een expositie over Asger Jorn (1914-1973). Hij wordt gezien als een van de drijvende krachten achter de Cobra-beweging. De meest intellectuele van het stel. Overigens ook de eerste die Kafka vertaalde in het Deens. Maar dit terzijde. Ik kende hem vooral van de vrolijk gekleurde, typische Cobra schilderijen, zoals Appel ze maakte, Constant en natuurlijk Corneille. Die van Jorn zijn weliswaar minder fel gekleurd, maar het blijven even goed echte Cobra-werken die in hun tijd voor de nodige verbazing zorgden. Er zijn er heel wat te zien op de expositie.

The awakening, 1953

The awakening, 1953

Carne du tendre, 1969

Les spectateurs et l'assassin de l'urs, 1953.

Les spectateurs et l’assassin de l’urs, 1953.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verbazen doen ze ons echter al lang niet meer. Wat nog wel verbaast is dit werk van Jacqueline de Jong. Uit klei gebakken aardappelen hangend boven een afbeelding van een vijver met bloeiende waterlelies en een kantbegroeiing die niet echt bij een vijver past, of? In de hoeken van de ruimte waarin het geëxposeerd is, liggen ook aardappelen. Wat een merkwaardige compositie: deze lelijke reproductie van een vijver samen met die aardappelen die niet echt op aardappelen lijken. Het werk imponeert niet door zijn uitvoering.

Baked Potatoes, Jacqueline de Jong

Baked Potatoes, Jacqueline de Jong

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarom hangt het hier eigenlijk? Wie is Jacqueline de Jong? Wat is haar connectie met Asger Jorn?

Het Cobra Museum licht dit niet toe. Google biedt uitkomst. Jacqueline de Jong is zo’n 10 jaar de vriendin van Asger Jorn geweest. Op haar twintigste leerde ze de toen vijfenveertig jarige Jorn kennen en op haar eenendertigste namen ze weer afscheid van elkaar. Zo gaat dat in het leven.
Je vindt nog redelijk wat stukken over De Jong. Ze komt naar voren als een zondagskind. Een geluksvogel met een leven dat als een warm mes door de boter gaat. Geboren uit Joodse ouders. Gered van deportatie door het verzet. Zonder kennis van zaken een baan gekregen bij het Stedelijk Museum. Daar bleek ze een kleine brokkenpiloot. Ze sneed per ongeluk de bibliofiele boeken open en bij het schoonmaken van de stijlkamers sneuvelde ook wel eens wat. Maar ’t gaf allemaal niet, want de directeur – Sandberg – kon er hartelijk om lachen: “Dat lijkt me heel goed dat jij die vazen kapot maakt”, zei hij. “Gooi er nog maar een stuk.”

En zo is het haar altijd voor de wind gegaan. Heel, heel intrigerend, vind ik. Hoe vaar je altijd zo voor de wind? Veel mensen zijn al blij als er twee maanden uit hun leven voorbijglijden zonder tegenslag. De vraag brengt een interview met Antony Burgmans in herinnering, destijds de voorzitter van de raad van bestuur van Unilever. Burgmans werd door de interviewer bevraagd naar het geheim achter zijn aanhoudende succes bij Unilever. Hoe geef je al die jaren zo succesvol richting aan een zo groot concern als Unilever? Dat wilde de interviewer graag weten, want het leek hem een hele opgave. “Nee hoor”, zei Burgmans, “het is heel eenvoudig. Je kunt het vergelijken met het rijden op een olifant. Als je voelt dat hij naar rechts helt, omdat hij die kant op wil, dan roep je heel hard: RECHTS, en dan denkt iedereen dat je alles onder controle hebt.” Daar moesten de aanwezigen hartelijk om lachen. Toch zal er wel een kern van waarheid in zitten. Je moet niet te hard duwen en trekken in het leven, maar meebewegen met de stroom waarin je zit. De Jong heeft dat als geen ander begrepen. Ze is een volleerd levenskunstenaar. Als kunstenaar boeit ze me alleen wat minder.

De individuele gang van de museumbezoeker

Er zijn twee soorten museumbezoekers. De ene laat zijn gang bepalen door de aantrekkingskracht van het tentoongestelde werk en de hoeveelheid mensen die zich daarbij bevindt. Hij komt binnen en wandelt afhankelijk van zijn bevindingen kriskras door de ruimte, onvoorspelbaar hoe zijn loop is.
De ander volgt voorspelbaar en onverstoorbaar de aangewezen route en bekijkt alles met dezelfde zorgvuldigheid. Dit is de echte. Hij neemt er de tijd voor.

Bovenstaande foto’s zijn genomen op de expositie “The Hidden Picture. 40 jaar kunst verzamelen bij ING” momenteel te zien in het Cobra Museum, Amstelveen. Als u zichzelf in bovenstaande foto’s herkent meneer en u vindt dit geen prettige gedachte, zeg het. 1 woord is genoeg.
Links op de foto hangt een olieverfschilderij van Wim Schuhmachter uit 1928. Rechts is de installatie te zien van Christian Boltanski uit 1991. 115 foto’s uit oude foto-albums die hij heeft gevonden op een vlooienmarkt in Berlijn. Deze foto’s illustreren het gezinsleven van nazi-officieren tijdens WO II.

DE KRITISCHE BLIK VAN DAVID GOLDBLATT

Iedereen kent ze. De door de overheid gesubsidieerde campagnes die de bevolking ergens bewust van moeten maken. Bijvoorbeeld dat we onze belastingaangifte op tijd moeten doen. Met tv-spotjes en tekens op straat probeert men ons gedrag te beïnvloeden. Posters met de tekst 32 maart bestaat niet sieren het straatbeeld om ons erop te wijzen dat we vóór 1 april onze aangifte moeten doen. Maar wat halen ze uit? Geen idee.

David Goldblatt moet zich deze vraag ten tijde van de anti aids campagne in zijn land ook gesteld hebben. Zijn visie op deze kwestie heeft hij vastgelegd in een reeks mooie, soms desolate, wat bijtende foto’s: In the time of aids (2003-2007). Een aantal foto’s uit deze serie is tot 7 december te zien in het Huis Marseille | Museum voor Fotografie op de Keizersgracht in Amsterdam.

In de reeks zie je uiteenlopende beelden van het Zuid-Afrikaanse continent. Foto’s van het uitgestrekte land en foto’s van de townships. De verbindende factor is het anti aids symbooltje dat op iedere foto aanwezig is. In eerste instantie valt het niet eens op. Maar dan begin je er natuurlijk – net als in de Where is Wally plaatjes – naar te zoeken. Ze zijn ergens weggemoffeld op de achtergrond of ze staan afgebeeld op iets in the middle of nowhere. De boodschap is even wrang als duidelijk. Dit zal weinig tot geen effect sorteren. Volstrekt futiel. Je kunt erom lachen en je kunt erom huilen.

Entrance to Lwandle, Township, Strand, Western Cape, 9 october 2005, David Goldblatt

Entrance to Lwandle, Township, Strand, Western Cape, 9 October 2005, David Goldblatt

"Are you master" kilometre 4 on the R74 from Harrismith to Bergville Free State, 25 August 2005, David Goldblatt

“Are you master” kilometre 4 on the R74 from Harrismith to Bergville Free State, 25 August 2005, David Goldblatt

Grahamstown, Eastern Cape, 13 October 2003, David Goldblatt

Grahamstown, Eastern Cape, 13 October 2003, David Goldblatt

Port Nolloth, Nohern Cape, 28 December 2003, David Goldblatt

Port Nolloth, Nohern Cape, 28 December 2003, David Goldblatt

VOORBIJ DE LAATSTE STAD

 

Zeilen in de schemering

 

 

 

 

 

 

Gisteravond moest ik ineens denken aan dit gedicht:

Aan het roer dien avond stond het hart
en scheepte maan en bossen bij zich in
en zeilend over spiegeling
van al wat het geleden had
voer het met wind en schemering
om boeg en tuig voorbij de laatste stad.

In mijn geheugen was het gelinkt aan Hans Lodeizen. En omdat ik precies wilde weten hoe de gedachten ook al weer in de woorden gevouwen waren, pakte ik de verzamelde gedichten van Lodeizen erbij. Maar daarin vond ik het natuurlijk niet, omdat het van Gerrit Achterberg is. Verrassend genoeg vond ik wel een gedicht dat er veel verwantschap mee heeft –  waardoor de verwarring in de eerste plaats misschien ook wel was ontstaan.

de moeheid in een bootje
roeit langs geweldige steden
die drijven ieder een eiland
langs de kust van het
gefantazeerde intellect

In beide gedichten staat het gevoel centraal. In beide gedichten wordt een nautische metafoor gebruikt. In beide gedichten biedt de ratio geen soelaas.

In het gedicht van Achterberg is het een gevoel van pijn/verdriet. Het hart zeilt voorbij aan het leed dat zich weerspiegelt in het water. Het water als metafoor van het geheugen. Wat in het echt niet haalbaar is, anders dan in de dood, lukt in dit gedicht prima. Voorbijgaan aan de kwellingen uit het verleden en alles achterlaten. Het beeld dat Achterberg met zijn gedicht oproept, ademt zoveel rust dat het vertroosting biedt. Het is bijna een gebed, vind ik.

Hoe anders is het gedicht van Hans Lodeizen. Daar is het gevoel er een van moeheid. Dit wordt mooi ondersteund door het roeien in een bootje, want als je ergens moe van wordt, dan is het toch wel daarvan. Zeker als je niet eens een doel nadert. Het is een beetje een tobberig gedicht. Er wordt niets nagestreefd. Er wordt niets achtergelaten. Er is enerzijds de vermoeidheid, anderzijds het intellect dat niets aan dat gevoel kan afdoen. Bestaat het intellect eigenlijk wel?

Tja dat kun je je afvragen en wat heb je eraan? Maar we worstelen in het leven nooit met ons intellect (hooguit met dat van anderen). Wel altijd met onze gevoelens. De grote uitdaging is om daarmee tot een vergelijk te komen. En dat valt niet mee.

ALS JIJ DOODGAAT

Jotie 't Hooft (1956 - 1977)

Jotie ’t Hooft (1956 – 1977)

Vandaag, precies 37 jaar geleden, stierf Jotie ’t Hooft. Dat was in hetzelfde jaar waarin mijn vader overleed. Jotie was toen 21 jaar jong, de helft van mijn vaders leeftijd. Mijn vader wilde graag oud worden, maar werd het niet. Jotie wilde graag doodgaan en deed dat ook (in 1977).

Ik heb Jotie altijd een bijzonder dichter gevonden. Wie kan er op 21-jarige leeftijd terugkijken op zoveel mooie poëziebundels. Hij kon als geen ander in weinig en eenvoudige woorden zijn gedachten en gevoelens vangen. Je voelde zijn woorden. Een meester van de zwarte romantiek. Een jongen met een enorm talent. Helaas ook voor destructief gedrag.

Er zijn twee redenen waarom ik van tijd tot tijd nog aan hem denk. De eerste is zijn prachtige allusie op het lied over Saïdjah en Adinda uit de Max Havelaar. U kent het wel:

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de grote zee gezien aan de zuidkust, toen ik daar was met mijn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam in het diepe water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om mijn lijk, en vragen: `Wie van ons zal het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?’
Ik zal ’t niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de kleine Si-oenah zien vallen uit de klappa-boom, toen hij een klappa plukte voor zijn moeder.
Als ik val uit een klappa-boom, zal ik dood nederliggen aan de voet in de struiken, als Si-oenah.
Dan zal mijn moeder niet schreien, want zij is dood. Maar anderen zullen roepen: `Zie, daar ligt Saïdjah!’ met harde stem.
Ik zal ’t niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lijk gezien van Pa-lisoe, die gestorven was van hoge ouderdom, want zijn haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen om mijn lijk staan.
En zij zullen misbaar maken als de klaagvrouwen bij Pa-lisoe’s lijk. En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.
Ik zal ’t niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in de grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessa, oostwaarts tegen de heuvel, waar ’t gras hoog is,
Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar sarong zal zachtkens voortschuiven langs het gras…
Ik zal het horen.

Jotie draaide het perspectief om. Hij schreef:

 ALS JIJ DOODGAAT

Als jij doodgaat zal ik ook.

Als jij voor korte tijd bevroren

en dan leeg vat zonder geest

erin maar stil erboven zwevend

begraven bent, kom ik langs.

Ik zal vaak langskomen, en heb ik

geen kleed dat langs de halmen ruist

en dat je dan zou horen en weten

ik heb alleen mijn nerveuze, slepende

stap, als jij doodgaat zal ik ook.

De tweede reden is zijn Birmaanse legende. Ik ben een groot liefhebber van legendes, bestaand of verzonnen.  Ook deze mag er zijn.

Hoewel nog jong, was hij al koning en al was zijn rijk niet groot toch was hij tot ver in de wereld bekend geweest als de Prins van de Duisternis. Geboren in het zwartste uur van de nacht, of lag het aan iets anders, in elk geval was hij er zolang hij zich herinneren kon al van overtuigd dat in zwart de vervulling van zijn leven moest gelegen zijn. Hij schuwde de dag als een vleermuis, kleedde zich uitsluitend in zwart en liet zijn prinselijke vertrekken zwart verven, dit alles om zijn ziel ieder ogenblik van haar doel te doordringen. Tot zijn ontsteltenis en droefheid moest hij echter ontdekken dat ook de voortdurende aanwezigheid, de dwangmatige herhaling en de eenzijdige toewijding niet in staat waren zijn aandacht onafgebroken op het zwart te richten. Het was al voldoende dat hij wat vroeger dan gewoonlijk ontwaakte en nog net het stervend purper en het gesmolten goud van een zonsondergang aanschouwde of de nacht leek hem duister en minder gloedvol dan anders.
Op de dag van zijn kroning legde hij zijn zwarte gewaden af en hulde zich in een mantel van rood, goud en purper die al generaties lang meeging en er nog heel behoorlijk uitzag. Zonder morren zette hij de kroon, die van zuiver goud was en zo kunstig gesmeed dat ze schitterde als een zon, op zijn hoofd. Hij was op de koninklijke gedachte gekomen dat, als de constante aanwezigheid van zijn geliefde niet in staat was zijn ziel in de ban te houden, de constante afwezigheid dat wellicht zou teweegbrengen. Niet alleen verbood hij het zwart in zijn gehele rijk, hij liet zijn zwarte haren blond verven en hij verjoeg de nacht met felle verlichting die brandde van zonsondergang tot voormiddag en in de verste uithoeken.
Hij hoopte dat het voortdurend verlangen, dat op een verslaving was gaan lijken, het voortdurend schrijnend ontbreken zijn onstilbare honger naar zwart wakkerder zou houden dan ooit. Wit werd de kleur van gebouwen, vlaggen en voertuigen. Kleurig en praalziek werd zijn kleding, en onder ondraaglijke pijnen die tegelijk zijn heil en vreugde waren, vertoefde hij uren bij heldere meren en in bloemenvelden. Hij keek smachtend in helderblauwe ogen, speurend naar een vlekje, een stofje zwart.
Zo bracht hij jaren en jaren door in de zwartloze hel en zijn verlangen werd groter en groter. Met iedere steek die het zien van al dat wit, als dat licht en die zon hem toebracht werd hij dieper doordrongen van zijn bestemming. Het evenwicht tussen de pijn en het genot was zo dicht bij de perfectie dat zijn regering een van de wijste was die het land in eeuwen had gekend, en een geweldige bloei was het resultaat.
Op een dag wandelde koning Jerom, want zo luidde zijn proletarische naam, gepijnigd genietend in de zon in de paleistuin, toen een rode bal over de heg stuiterde en zijn kroon van zijn hoofd mepte. Een blond jongetje wipte er als een levende bal achteraan en schrok toen hij zag wie er voor hem stond. De koning had de bal opgeraapt en wenkte het jongetje dichterbij. Toen hij zich vooroverboog om hem de bal te geven, viel zijn kroon opnieuw op de grond, maar hij merkte het al niet meer, want het jongetje had zijn gezicht geheven en in diens ogen, licht als zilver, zag hij zijn eigen ogen weerspiegeld. Ze waren zwart. (Birmaanse legende)

Aan het eind van zijn leven woonde Jotie zelf in een zwart huis. Mensen die bij hem op bezoek gingen, vonden het een beetje eng. Gepreoccupeerd met de dood wilde Jotie alles zwart hebben. Hij schuwde de dag als een vleermuis, kleedde zich uitsluitend in zwart en liet zijn prinselijke vertrekken zwart verven. Het spijt me – zoveel jaren later nog altijd – dat hij nooit, zoals koning Jerom, de volgende stap heeft kunnen zetten. Hij had het zwart ook weer achter zich moeten laten. Ik had het althans erg mooi gevonden als hij op een dag in helder blauwe ogen de vervulling van zijn eigen wens weerspiegeld had gezien.